Navigatie: Heemkunde Maasbracht - Over Maasbracht - Geschiedenis van Maasbracht - Conflict kerk Maasbracht -familie de Plevits
Ga terug: Geschiedenis van Maasbracht

Conflict kerk Maasbracht -familie de Plevits

Een conflict tussen de kerkfabriek van Maasbracht en de erven De Plevits de overbrenging van een officie van Sint Joost naar Roosteren

 

Wil Filott

 

In dit artikel beschrijf ik een conflict over gevolgen van het overbrengen van het officie van een kapel op Sint Joost in 1781 naar een huiskapel in Roosteren. Een officie is het recht/plicht om een kerkelijke dienst te mogen/moeten houden. 

Maar eerst besteed ik aandacht aan het ontstaan van de burgerlijk gemeente Maasbracht, de positie van de kerk tijdens de Franse inlijving en pastoor Clermonts. Een korte beschrijving van de Kloosterhof en zijn eigenaren komen ook aan de orde.

 

Het ontstaan van de burgerlijke gemeente Maasbracht

In het najaar van 1794 veroverden Franse militairen na de slag bij Fleurus de hele linker Rijnoever, waaronder ook Maasbracht.  Maasbracht behoorde sinds het Barrièretraktaat van 1715 tot Staats Opper-Gelre, een generaliteitsland van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Bij het Haags verdrag van 16 mei 1795 werd door de Bataafse Republiek, de opvolger van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, het door de Fransen veroverde Staats Opper-Gelre formeel aan Frankrijk afgestaan. Maasbracht werd ingelijfd bij de Franse republiek. Het werd een burgerlijke Franse gemeente (commune) en de inwoners werden Franse burgers (citoyens). De gemeente Maasbracht kende vier “kernen”: Kruchten, Maasbracht dorp, Beek en een deel van Sint Joost. Na het vertrek van de Fransen in 1814 kwam de gemeente Maasbracht te liggen in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit het huidige Nederland en België onder koning Willem I. 

 

                             

                                               Kuyperkaart gemeente Maasbracht 1866                                   

De Fransen traden hard op tegen de kerk. Kerkelijke goederen werden genationaliseerd en kloosters werden opgeheven. Het in 1797 in Frankrijk aan de macht gekomen zogenaamde Directoire eiste dat geestelijken een eed van trouw aan de Franse republiek en een eed van haat jegens het koningschap moesten zweren. Veel geestelijken weigerden de eed van haat jegens het koningschap af te leggen. Weigeraars riskeerden gevangenneming. De bisschop van Roermond, Jan Baptist Robert baron Van Velde de Melroy en Sart-Bomal, die overigens al naar Münster en later naar Emmerich was uitgeweken, verbood de geestelijken in zijn bisdom die eed af te leggen. Geestelijken die de eed niet aflegden verloren hun inkomsten. Goederen van kerkfabrieken van weigeraars konden verbeurdverklaard worden.[1] Veel priesters doken onder en probeerden de zielzorg zo goed en zo kwaad mogelijk voort te zetten. Andere weken uit naar niet door de Fransen bezet gebied.

Pastoor Clermonts

In 1265 was er al sprake van een kerk in het dorp Maasbracht en dus van een geloofsgemeenschap.  Rond 1655 werd een nieuwe kerk gebouwd.[2] In 1785 werd de Sint-Gertrudiskerk in Maasbracht vergroot. Henricus Alexander Clermonts was toen pastoor van de Sint-Gertrudiskerk.[3] Tijdens de Franse bezetting bleef hij aanvankelijk min of meer de zielzorg onder moeilijke omstandigheden voortzetten. Maar ook pastoor Clermonts zag zich in juli 1798 gedwongen te vluchten. Op 10 juli omsingelden gendarmes rond middernacht de pastorie. Clermonts, waarschijnlijk gewaarschuwd, was echter al om 10 uur `s avonds vertrokken. Na een hachelijke tocht bereikte hij via Wessem, Kessel, Baarlo en Boxmeer op 15 juli Cuijk in de veilig geachte Bataafsche republiek. Vandaar ging hij via Elten naar Amsterdam. In Sassenheim verving hij een tijdje de pastoor. Op 28 oktober was hij even terug in Maasbracht, maar hij vertrok weer snel na instructies gegeven te hebben voor het kerkvolk. Enkele weken later is hij definitief teruggekeerd en heeft hij zijn werkzaamheden als pastoor weer opgepakt.[4]  De positie van de kerk verbeterde allengs, zeker na het concordaat tussen de paus en Napoleon in 1801.

                       

De Kloosterhof te Sint Joost

Een van de gebouwen met de oudste `geloofsbrieven` van de gemeente Maasbracht is ongetwijfeld de Kloosterhof te Sint Joost.[5] Het is een rijksmonument. De Kloosterhof is een restant van het rond 1300 gestichte klooster van de orde van de Cauliten. De Cauliten was een omstreeks 1200 door een Kartuizer monnik gestichte strenge orde. De naam Cauliten is afgeleid van de naam Vallis Caulium van het eerste klooster van deze orde in Val-des-Choux in Bourgondië. In 1458 beleende Diederick van der Horst (van Hoeve de Horst op de Slek, Echt) zeven bunders land aan de Melixgraaf (Middelsgraaf) aan het klooster. De orde der Caulieten kende zeer strenge leefregels en kreeg mede daardoor weinig volgelingen. De orde verdween en hun kloosters werden overgenomen door andere orden. Het klooster in Sint Joost werd later overgenomen door Begarden, een semi-religieuze gemeenschap, en daarna door Franciscanen, ook wel minderbroeders genoemd. De kloosterkerk is tot 1748 in gebruik geweest, maar werd daarna gesloopt. Het kloostergebouw werd geleidelijk tot een boerderij verbouwd. Het gebouw kwam als pachthoeve in het bezit van het bisschoppelijk priesterseminarie te Roermond. De Kloosterhof werd in 1781 door Jan Paul de Plevits, heer van Petersheim, verworven van het bisschoppelijk seminarie te Roermond.[6]

 

Joannes Paulus (Jan Paul/Jean Paul)) de Plevits was “Reichsritter im Heiligen Römischen Reich deutscher Nation”, lage adel die rechtstreeks (reichsunmittelbar) onder de keizer ressorteerde. Joannes Paulus de Plevits is op 7 januari 1728 in Maastricht gedoopt. Hij is op 21-jarige leeftijd op 1 juli 1749 te Borgloon in de kerk getrouwd met Agnes Sibilla Craeghs, geboren 4 juli 1716 te Maaseik, overleden 8 november 1774 te Roosteren, dochter van Laurent Crags, oud-burgemeester van Maaseik en Catharina Vreysen. Via dit huwelijk heeft hij vermoedelijk in 1764 huis ter Borch te Roosteren verkregen. 

 

Jan Paul de Plevits schonk op 20 maart 1782 de Kloosterhof te St Joost met alle bijbehorende landerijen en andere goederen aan zijn zoon Georgius Jacobus de Plevits en diens aanstaande echtgenote Johanna Francisca Hendrica von Holthausen van Horst, twee dagen voor hun huwelijk. Georgius Jacobus de Plevits werd na het overlijden van zijn echtgenote in 1791 enig eigenaar van de Kloosterhof.

 

De overbrenging van het officie van Sint Joost naar Roosteren

Vóór 1781 bestond er “ter kerke van het gehucht St. Joost, behoorende tot de parochiale van Maasbracht” een officie. Dat “kerke” moet m.i. niet al te letterlijk worden opgevat. Het was veeleer een kapel.

In 1781 is dat officie op verzoek van Jan Paul de Plevits door de bisschop van Roermond overgebracht naar de huiskapel van De Plevits in huize Ter Borch te Roosteren.[7] Daarvan blijkt uit een in het Latijn gestelde brief van 27 april 1781 van de bisschop van Roermond. In die huiskapel moest op alle zon- en feestdagen het misoffer worden gecelebreerd.[8]

                                                              

  Kasteel ter Borch, Lanterdijk Roosteren, gebouwd in opdracht van Johan Albert Octave Barbou

Tekst van een brief van 27 april 1781 van graaf Philippus Damianus van Hoensbroeck, bisschop van Roermond.[9]

 

“Aan allen die dit zien, het heil is in de Heer.

Aan ons werd het verzoek van de edele heer De Plevits, ridder, en heer van Petersheim voorgelegd. De vorengenoemde edele heer heeft de gronden en de hof, genoemd Sint Joost, die ons bisschoppelijk seminarie in de parochie van Maasbracht bezat, verworven. Naast deze hof is een volledig geruïneerde kapel gelegen, waarvoor een beneficium of officium bestaat onder aanroeping van voornoemde heilige met de verplichting om op zon- en feestdagen de mis te vieren voor het volk.[10]  Die verplichting werd met toestemming van onze voorganger in onze kathedraal nagekomen.[11]

Maar hij die onze toestemming vraagt, heeft ook een behoorlijk ingerichte kapel in zijn huis in de parochie Roosteren waar hij ervoor zorgt dat op voormelde dagen het Heilig Misoffer wordt gevierd.[12] Daarom wil hij dat het beneficium of officium van Sint Judocus overgebracht zou moeten worden naar zijn eigen huiskapel gelet op de geruïneerde staat van de andere kapel. De lasten daarvan zouden daar nagekomen moeten worden.

Na alle verzoeken van de aanvrager in overweging genomen hebbende, staan wij toe dat genoemd beneficium of officium naar meergenoemde huiskapel wordt overgebracht en dat de daaraan verbonden lasten na het overlijden van de huidige eigenaar daar op dezelfde plaats nagekomen worden uitgezonderd de vier jaarlijkse plechtigheden,[13] met behoud voor altijd van onze rechten en die van anderen in alle opzichten.

 

Gegeven te Roermond in ons bisschoppelijk paleis 17 april 1781.

Was verzegeld: P: bisschop van Roermond 

In opdracht van onze zeer illustere en zeereerwaarde heer 

L. Theunissen

 

Vertaling uit het Latijn: Wil Filott

                                

                                     

                     De Kloosterhof als boerderij in verval. Bron: www.echt-susteren.nl/sint-joost

 

Jan Paul de Plevits schonk op 20 maart 1782 de Kloosterhof te St Joost met alle bijbehorende landerijen en andere goederen aan zijn zoon Georgius Jacobus de Plevits en diens aanstaande echtgenote Johanna Francisca Hendrica von Holthausen van Horst, twee dagen voor hun huwelijk. Georgius Jacobus de Plevits werd na het overlijden van zijn echtgenote in 1791 enig eigenaar van de Kloosterhof.

 

Georgius Jacobus (Georges Jacques) Baron de Plevits is gedoopt op 8 januari 1757 te Maaseik. Hij is op 22 maart 1782 kerkelijk te Echt getrouwd met Joanna Francisca Hendrica von Holthausen van (of: de) Horst. Hij werd met de Franse voornamen Georges Jacques de Plevits d`Alfens bij organiek besluit van 13 september 1817 “geadmitteerd” (toegelaten) in de Ridderschap van Limburg. Bij besluit van 30 juli 1822 werd bepaald dat alle leden het geslacht de Plevits de titel van Baron of Barones mochten voeren. Georgius Jacobus Baron de Plevits is burgemeester van Roosteren en lid van de ridderschap van Limburg geweest. Georgius Jacobus de Plevits is overleden op 17 april 1825 op huize ter Borch te Roosteren. 

                                  Afbeelding met tekst, handschrift, brief, papier

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

                                  Doodsbrief George Jacques de Plevits d`Alfens 

 

De echtgenote van Georgius Jacobus, Joanna Francisca Hendrica von Holthausen van Horst, is op 18 april 1764 geboren te Echt en daar op dezelfde dag gedoopt. De woorden “van Horst” in haar naam zijn een verwijzing naar de nog steeds bestaande Hoeve de Horst op de Slek, Echt. Zij is overleden op 8 oktober 1791 in huize ter Borch te Roosteren. 

 

De reden van de toevoeging d`Alfens aan de Plevits

Johanna Francisca Hendrica von Holthausen van Horst verwierf in 1785 een aandeel in het “Rittergut Alfens” bij Millen-Bruch, Selfkant, Duitsland. Uit een in het Duits gesteld document van 21 december 1786 blijkt dat Georgius Jacobus de Plevits de andere aandelen in “Alfens” en de bijbehorende percelen grond heeft verworven van leden van de familie de St. Remij. Tot de nalatenschap van Georgius Jacobus behoorde blijkens de akte van verdeling van 17 april 1825 ook “Den Pagthof Alffens, bestaande in Pagthof, schuur, stallen en verdere gebouwen gelijk den zelve zig bevinden met omtrent vier en dertig Nederlandsche Bunders zoo ackerland Bempden houtgewasch huisplaats, moeshoff  Boomgaaard als meeden eenen Bampt reinende aan de Bempden van Alffens”.

Leden van de familie De Plevits voegden sindsdien aan hun naam “d`Alfens” toe.[14]

                                     

 

                                             Afbeelding met kaart, tekst, lijn, diagram

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Kaartje met blauw omlijnd de Kloosterhof. Bron: https://aezel.eu/ontdekken/geografie/minuutplans-eigendom

                                    

Overleg tussen de kerkfabriek en Georgius Jacobus de Plevits

De kerkfabriek van Maasbracht was niet blij met de overdracht in 1781 van het officie naar de huiskapel van De Plevits in Roosteren. Zij meende daardoor financieel benadeeld te zijn. Aan het officie waren inkomsten verbonden. Door de overbrenging naar de huiskapel waren die voor de kerk van Maasbracht verloren gegaan. Na de Franse tijd vond er overleg plaats tussen de kerkfabriek en Georgius Jacobus de Plevits over deze kwestie. Dat resulteerde in een overeenkomst tussen pastoor Henricus Alexander Clermonts van Maasbracht en Georgius Jacobus de Plevits teneinde ” alle contestatien ten opzigte van die overbrenging te eindigen”. Deze overeenkomst werd vastgelegd in een akte, verleden op 29 januari 1816 voor notaris Schoolmeesters te Maaseik. Daarin verplichtte De Plevits zich jaarlijks op 15 december aan de kerkfabriek te Maasbracht een bedrag te betalen van 6 Franse kronen (ongeveer Fl. 16,35 en een halve cent). Dat bedrag was bestemd voor de zanger en organist van de kerk van Maasbracht, ieder voor de helft, voor de mis ter ere van het Heiig Sacrament, die op alle donderdagen van het jaar opgedragen werd.

Het in de akte vermelde bedrag is blijkbaar jaarlijks keurig door Georgius Jacobus de Plevits tot zijn overlijden voldaan.

 

                      Afbeelding met tekst, handschrift, brief, document

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist. 

                              Akte van overlijden van pastoor Henricus Alexander Clermonts

Verdeling van de nalatenschap van Georgius Jacobus de Plevits

Na het overlijden van Georgius Jacobus de Plevits op 17 april 1825 op ter Borch te Roosteren, werd zijn nalatenschap verdeeld onder zijn vier toen nog levende kinderen. De verdeling van het onroerend goed is vastgelegd in een handgeschreven onderhands document van 29 pagina’s, ondertekend te Roosteren op 26 augustus 1825. Het onroerend goed in de nalatenschap bestond uit niet minder dan 346 percelen gebouwen en grond, gelegen in huidig Nederland, België en Duitsland, waaronder een drietal “herenhuizen” en een aantal pachthoeves. Dit aantal herenhuizen, pachthoeves en percelen grond geeft een indruk van het enorme bezit van de familie.[15]

 

De toedeling van de Kloosterhof aan Jan Paul de Plevits

De pachthof, genaamd het klooster, te St. Joost werd als nummer 72 van lot A bij loting toebedeeld aan zoon Jan Paul de Plevits. De omschrijving daarvan is de akte van verdeling is als volgt:

72 “Eenen Pagthof genaamd het Klooster geleegen onder de Gemeente te Maasbracht gehugt St Joost bestaande in huis schuur stallen en verdere gebouwen Moeshof, Boomgaard en Vijvers”, regnoten De Gemeente en het Else Bosken, groot tesamen een bunder dertien vierkante roeden zeven en zeventig vierkante ellen.”[16]

Behalve de Kloosterhof te St. Joost kreeg Jan Paul de Plevits nog meer onroerend goed toebedeeld in totaal 86 percelen, waaronder de pachthof Den Berg te Roosteren en twee derde van de Jettenhof te Ophoven (België). In 1842 was hij eigenaar van 39 percelen in de gemeente Maasbracht, hoofdzakelijk gelegen ten noorden van St. Joost.[17]


Afbeelding met tekst, handschrift, document, brief

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Beschrijving pachthof het klooster in akte van verdeling van 26 augustus 1825


 

Een proces voor de rechtbank te Roermond

In de akte van verdeling van 26 augustus 1825 werd met geen woord gerept over de verplichting om jaarlijks aan de kerkfabriek van Maasbracht 6 Franse kronen te betalen. Die verplichting was ook niet aan de Kloosterhof verbonden maar een verplichting van Georgius Jacobus de Plevits, die op zijn erfgenamen was overgegaan. Na het overlijden van Georgius Jacobus de Plevits in 1825 betaalde de erven de jaarlijkse bijdrage van 6 Franse kronen aan de kerkfabriek van Maasbracht niet, ondanks herhaalde aanmaningen. De kerkfabriek liet het er niet bij zitten. Zij daagde de erven van Georgius Jacobus de Plevits bij exploot van 26 januari 1846 van deurwaarder Perey voor de arrondissementsrechtbank te Roermond. De kerkfabriek eiste betaling van het gehele bedrag dat vanaf 1825 betaald had moeten worden. De erven De Plevits stelden als verweer dat de kerkfabriek haar verplichtingen uit de akte niet was nagekomen en dat de overeenkomst daarom nietig verklaard moest worden. De rechtbank ging niet met dat verweer mee. De erven De Plevits werden bij vonnis van 24 februari 1848 veroordeeld aan de kerkfabriek een bedrag van 313 gulden en vijftien en een halve cent te betalen, het equivalent van 126 Franse kronen. Dat was het bedrag dat vanaf 1825 betaald had moeten worden.

                             Afbeelding met buitenshuis, gebouw, raam, hemel

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

 

Het gebouw in de Pollartstraat in Roermond waarin van 1822 tot 1996 het kantongerecht en de rechtbank te Roermond was gevestigd (het voormalig bisschoppelijk paleis). Bron: Wikipedia/Michiel1972                       

 

Wie waren de erven De Plevits? 

De erven van Georgius Jacobus de Plevits waren:

Jean Baptist de Plevits, geboren en gedoopt op 20 januari 1784 te Roosteren en op 7 juli 1844 op 60-jarige leeftijd overleden op de pachthof Gebroekhof in het inmiddels verdwenen gehucht Gebroek te Susteren. Hij was van 1825 tot 1830 burgemeester van Susteren. Ook was hij lid van Provinciale Staten van Limburg en vrederechter te Sittard. Jean Baptist de Plevits was ten tijde van het proces van de kerkfabriek van Maasbracht al overleden. Hij is ongetrouwd en kinderloos gebleven.

Joannes (Jean/Jan) Paulus (Paul) de Plevits, geboren op 15 februari 1783 te Roosteren. 

Hij is op 68-jarige leeftijd op 31 januari 1852, nimmer getrouwd, kinderloos, in het herenhuis ter Borch te Roosteren overleden.

Agnes Sibilla de Plevits, geboren op 2 juli 1785 geboren te Maaseik en op 9 juli 1785 gedoopt te Maaseik en op 75-jarige leeftijd op 20 september 1860 overleden te Roosteren. Zij is op 15 juli 1803 te Roosteren kerkelijk getrouwd met Jan Baptist Peter Barbou. Zij woonde ten tijde van de rechtszaak in Luik. 

Xaverius Wilhelmus Sidonius Franciscus de Plevits, gedoopt op 23 november 1790 te Roosteren en ongetrouwd en kinderloos overleden op 7 april 1873 op het Rittergut Alfens in Millen (Selfkant, Duitsland).[18]

 

Hoger beroep bij het Geregtshof te Maastricht

De erven De Plevits gingen bij exploot van 6 juni 1848 van deurwaarder Janssen van het vonnis van de rechtbank te Roermond in hoger beroep bij het Provinciaal Geregsthof in Limburg te Maastricht. Zij vroegen het Hof uit te spreken dat “door de regtbank te Roermond kwalijk en ten onregte is beslist” de erven te veroordelen tot betaling van 313 gulden en vijftien en een halve cent. Zij eisten vernietiging van het vonnis van de rechtbank omdat dat gebaseerd was op een nietige en van onwaarde zijnde akte. Subsidiair stelden zij de verplichting tot betaling van het overeengekomen bedrag vervallen was door de dood van Georgius Jacobus de Plevits. Mocht het hof daar niet in meegaan, dan beriepen zij zich erop dat voor vorderingen de wet een verjaringstermijn van vijf jaren kende.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor wat betreft de betaling van de verjaarde vorderingen en bekrachtigde het voor het overige.[19] De erven moesten dus over de laatste vijf jaren voor de rechtszaak en jaarlijks in de toekomst het equivalent van 6 Franse kronen aan de kerkfabriek van Maasbracht betalen.

 

                                 

Gebouw Provinciaal Geregtshof te Maastricht, voorheen Tweede Minderbroederskerk

 

Na het overlijden van Jan Paul de Plevits op 31 januari 1852 werd zijn nalatenschap verdeeld tussen zijn zus Agnes Sibilla de Plevits, gehuwd met Jan Baptist Peter Barbouen zijn broer Willem Xavier Baron de Plevits d` Alfens. Uit een handgeschreven akte van verdeling van 20 mei 1854 blijkt dat Willem Xavier Baron de Plevits d`Alfens onder meer de Kloosterhoeve Sint Joost met bijbehorende gronden verkreeg. De omschrijving daarvan is de akte van verdeling is als volgt:

Idem aldaar een huis en schuur in sectie D Nr 291 groot achttien roeden vijf en zestig ellen, geschat vijftien honderd gulden.”[20]

 

Willem Xavier Baron de Plevits d`Alfens kwam netjes de verplichtingen jegens de kerkfabriek van Maasbracht na. Dat blijkt onder meer uit een kwitantie van 22 december 1871, waarin pastoor Smids verklaart: “Ontvangen van den Hoog Edele Heer Baron de Plevits d`Alfens de som van drie Fransche kronen, zegge fl, 8,25, als zijnde zijn deel in de jaarlijkse rent van vijf (?) Franse kronen, verschuldigd door de Erven Plevits-Barbou aan de Kerkfabriek van Maasbracht en jaarlijks op den 15 december vervallende”. [21]

 

 

Afbeelding met handschrift, brief, tekst, papier

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Willem Xavier de Plevits had uit de nalatenschap van zijn vader in 1825 onder meer het Rittergut Alfens en pachthof Alfens te Millen, Selfkant, verkregen. Hij was beroepsmilitair. Hij nam als 2de luitenant en later als 1ste luitenant in het 48ste régiment d` infanterie de ligne van het Franse leger deel aan de voor de Fransen en hun geallieerden desastreus verlopen veldtocht in 1812 van La Grande Armée naar Rusland. Bij de slag aan de Berezina zou hij, gewond door een geweerschot, met behulp van zijn paard zwemmend de westelijke oever van de Berezina hebben bereikt. Hij is een van de weinigen geweest die de veldtocht naar Rusland overleefd heeft. Hij werd op 12 augustus 1813 in het Franse leger bevorderd tot kapitein. Op 2 augustus 1816 verliet hij het Franse leger. Vervolgens is hij in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in Nederlandse krijgsdienst gegaan. Per 31 december 1830 is hij in de rang van kapitein bij Koninklijk Besluit gepensioneerd. Daarna trok hij zich als grondeigenaar en rentenier terug op het Rittergut Alfens, waar hij op 7 mei 1873 overleed.

 

Zoals eerder vermeld was de Kloosterhof een pachthof. Zo verpachtte Willem Xavier de Plevits bij notariële akte van 19 december 1860, verleden voor notaris Jan Frans Hubert Meuwissen, notaris te Susteren “eene pachthof genaamd het Klooster gelegen te Sint Joost gemeente Maasbracht, bestaande uit een 26-tal percelen in de gemeente Maasbracht en een perceel in de gemeente Echt”.Tot die percelen behoorde “eene behuizing met stallingen, schuur, plaats, tuin, boomgaard, weide en poel, gelegen te Sint Joost, gehucht”. [22]

De pachter was Jan Cornelis van Montfort. Hij is geboren en gedoopt op 31 juli 1811 in de gemeente Maasbracht en ingeschreven bij de burgerlijke stand met de Franse voornamen Jean Corneil. Als woonplaats is daarbij Rosendael vermeld.[23] Hij is op 70-jarige leeftijd overleden op 29 oktober 1881 in de gemeente Maasbracht. 

 

Jean Octave Albert Barbou van Roosteren en Etienne Barbou van Roosteren[24]

Na het overlijden van Willem Xavier Baron de Plevits d`Alfens in 1783 erfde Jean Octave Albert de Barbou, kleinzoon van zijn zus Agnes Sibilla in 1874 de Kloosterhof. Die bestond toen uit 50 percelen, groot 43 hectare, 22 are en 60 centiare.[25] In 1922 verkocht diens zoon Etienne Barbou van Roosteren de Pachthof aan Martin Smeets.[26] 

 

Slot

Hoe het verder is gegaan met de betaling door de familie De Plevits van de jaarlijkse 6 Franse kronen aan de kerkfabriek van Maasbracht is mij niet bekend.

 

De Kloosterhof is sinds 2015 in gebruik als tehuis voor mensen met een verstandelijke beperking, het Thomashuis.

 

                         

                                        De huidige Kloosterhof te Sint Joost. Foto: Wil Filott

 


 


[1]  De benaming kerkfabriek (fabrique d`église) dateert uit de tijd van Napoleon. Na het concordaat tussen de Paus en de consul Napoleon van 26 Messidor jaar IX (15 juli 1801) werd aan de bisschoppen opgedragen over te gaan tot het instellen van kerkfabrieken en het opstellen van reglementen daarvoor. Bij keizerlijk decreet van 30 juni 1809 werden de inrichting en bevoegdheid van die kerkfabrieken verder geregeld. Het bestuur van de kerkfabriek moest zorgen voor het beheer van het vermogen van de kerkfabriek en de aanwending daarvan ten behoeve van de godsdienst. De kerkfabriek moest dus zorgdragen voor materiele zaken. 

[2] Zie ook: “Parochie H. Gertrudis Maasbracht (dorp)”, samengesteld door E.W.J. Ficken.

[3] Henricus Alexander Clermonts is geboren op 20 oktober 1743 te Echt en overleden op 23 mei 1825 te Maasbracht. Hij is meer dan 40 jaar pastoor in Maasbracht geweest.

[4] https://www.genbronnen.nl/bronnen/limburg/maasbracht/secundair/gevlucht-1798.html

[5]  Sint Joost behoorde tot 1989 voor een deel tot de gemeente Maasbracht, het andere deel behoorde tot de gemeente Echt. De Kloosterhoeve lag in het Maasbrachter deel. In 1989 kwam Sint Joost in zijn geheel bij de gemeente Echt en in 2003 bij de nieuwgevormde gemeente Echt-Susteren.

[6] In Sint Joost herinneren twee straatnamen aan het verleden van de Kloosterhof: Caulitenstraat en Plevitsstraat.

[7] In Roosteren zijn drie gebouwen geweest die de naam “Borgh” hebben gedragen: het huidige kasteel Ter Borch, kasteel Eyckholt en Huize Schoolmeesters. 

[8] Johan Albert Octave Barbou, een kleinzoon van Agnes Sibilla barones de Plevits d`Alfens, heeft in 1880 het nog bestaande kasteel Ter Borch in Roosteren laten bouwen. 

[9] De Latijnse tekst is te vinden onder het artikel “Sint-Joost en het geslacht De Plevits”, L. Heere o.s.c, De Maasgouw, 1968, pag. 154

[10] “Onder aanroeping van” kan gelezen worden als “gewijd aan”.

[11] De missen werden dus opgedragen in de kathedraal van Roermond. Na verwerving van Kloosterhof door Jan Paul de Plevits rustte de verplichting tot het doen celebreren van de mis op hem. Het is te begrijpen dat hij er de voorkeur aangaf de missen te laten opdragen in zijn huiskapel te Roosteren in plaatst van in de kathedraal van Roermond.

[12] Jan Paul de Plevits had in 1770 van bisschop Kerens het recht verkregen in zijn woning een huiskapel in te richten en in 1774 het voorrecht om daarin op alle zon- en feestdagen een heilige mis te laten opdragen. Bron: L. Heere pag. 151.

[13] Deze plechtigheden zijn de vier hoogfeesten in de katholieke kerk: Kerstmis, Pasen, Hemelvaart en Pinkstere.

[14] Mevrouw Crewe-Jones – Van Mierlo uit Susteren), weduwe van de heer Crewe-Jones, heeft mij een aantal unieke, nimmer gepubliceerde documenten (akten) uit het familiearchief van de familie De Plevits uit de periode eind achttiende tot halverwege de negentiende eeuw ter beschikking gesteld, waaronder deze akte van verdeling. De heer Crewe-Jones is een afstammeling van Agnes Sibilla de Plevits, de laatste telg uit het geslacht de Plevits met die naam

[15] Meer hierover in “Georgius Jacobus Baron de Plevits (1757-1825), Grootgrondbezitter in Echt-Susteren”, Wil Filott, Jaarboek Echter Landj, 16, pag. 21 e.v..

[16] Regnoten zijn eigenaars van aangrenzende percelen. Er zijn geen kadastrale percelen vermeld. Het kadaster is pas later ingevoerd. De oppervlaktematen zijn in de overeenkomst weergeven in bunders, roeden en ellen. Deze maten verschilden van plaats tot plaats. In Roermond was een bunder 0,955 hectare, in Weert 0,85 hectare. Bij de invoering in het Koninkrijk der Verenigde Nederlanden van de IJkwet 1816 in 1820 werd een bunder gelijkgesteld aan een hectare.

[17] Aezel.eu: Minuutplans eigenaren.geografie. 

[18] Volgens (nog) niet met documenten gestaafde geruchten zou Willem Dionisius Xaverius Baron de Plevits d` Alfens in Millen bij een maîtresse kinderen gehad hebben, waarvoor hij in Millen een boerderij zou hebben laten bouwen (de huidige Von-Byland-strasse 4). Bron: Millen- l(i)ebenswerts Keinod im Westen, pag. 52

[19] Weekblad van het regt, 17 januari 1850.

[20] Archief familie De Plevits.

[21] Wie het andere deel verschuldigd was, is mij niet bekend, mogelijk een lid van de familie Barbou.

[22] Archief familie De Plevits.

[23] Met Rosendael wordt een gehucht met enkele boerderijen tussen Sint Joost en Brachterbeek bedoeld. In 1970 is het landgoed Rozendaal, met twee boerderijen, gekocht door het Limburgs Landschap.

[24] Bij Koninklijk Besluit van 4 december 1926, no. 5 werd de geslachtsnaam Barbou veranderd in Barbou van Roosteren.

[25] Jean Octave Albert Barbou is geboren op 28 mei 1854 te Luik en overleden op 25 november 1930 te Roosteren.

[26] Informatie over de Kloosterhof is ook te vinden in “De familie De Plevits en St Joost”, H.J.J. Linssen, in Echter Landj, deel 9, en in “De Nedermaas. Limburgsch geïllustreerd maandblad”, 1 november 1922, pag. 58.